Basisvaardigheden academisch schrijven

Hoofdstuk 4

Extra oefening 7 – Tekststructuur

Deel de volgende tekst in alinea’s in, geef van elke alinea de kernzin aan en onderstreep de verwijs- en verbindingswoorden.

In dit onderzoek staat woordherkenning in een experimentele setting centraal. Maar wat is een woord? Vanuit de cognitieve taalwetenschap stelt Taylor (2002) dat een woord op fonologisch gebied niet als afzonderlijke eenheid kan worden gezien. In spraak herkennen we immers geen duidelijke woordgrenzen: spraak is vloeiend en doorlopend. In schrift zijn er wel afgebakende woordgrenzen te herkennen. Omdat dit onderzoek zich richt op een aanbod van visuele experimentele stimuli, wordt spraak grotendeels buiten beschouwing gelaten en wordt voornamelijk aandacht besteed aan woorden in schrift. Afhankelijk van de gekozen invalshoek wordt de term ‘woord’ in de literatuur op uiteenlopende wijzen gedefinieerd. Zo stelt De Groot (2002) dat er drie criteria zijn om te bepalen wanneer we te maken hebben met een woord: een lettergroep moet een vocaal hebben, moet op verschillende plaatsen in een zin en vrijelijk met andere woorden kunnen voorkomen en dient – in geval van inhoudswoorden – een duidelijk te omschrijven betekenis te hebben. Hoff (2009) kiest een andere benadering: zij gaat uit van het gebruik van een woord, waarmee ze de cognitieve taalwetenschappelijke benadering volgt. Taalverwerving wordt hierin als een usage based proces gezien (Taylor, 2002). Hoff stelt dat een woord een symbool is, waarbij de relatie tussen het woord en waar het voor staat arbitrair is. Woorden refereren naar dingen: een woord ‘staat ergens voor’. Het gaat daarbij om de kennis die achter een woord zit: het concept. In de toegepaste literatuur, met name met betrekking tot kindertaalontwikkeling, wordt de term ‘woord’ vaak gehandhaafd. Deze term verdient vanuit psycholinguïstisch en cognitief taalwetenschappelijk oogpunt echter niet de voorkeur. In de psycholinguïstiek wordt een woord door Field (2003) namelijk gedefinieerd als een verplaatsbare betekeniseenheid die niet in kleinere, opzichzelfstaande elementen kan worden opgedeeld. Ook in de cognitieve taalwetenschap wordt gesproken over fonologische, semantische en symbolische ‘units’ die bestaan uit een vorm- en een betekeniscomponent en waarbij de relatie tussen beide componenten arbitrair is (Taylor, 2002). Omdat bij dit onderzoek een cognitieve, psycholinguïstische invalshoek past, is vanaf dit punt een woord gedefinieerd als ‘lexicale eenheid’.

Download de tekst in Word