Chapter 6
Omdat
Waarom heb je geen ov-chipkaart?
Omdat ik meestal met de auto ga.
Ik heb geen ov-chipkaart, omdat ik meestal met de auto ga.
| want | omdat |
|---|---|
|
Ik ga naar mijn oom, want hij is morgen jarig. |
Ik ga naar mijn oom, omdat hij morgen jarig is. |
|
We gaan naar het station, want we moeten een kaartje kopen. |
We gaan naar het station, omdat we een kaartje moeten kopen. |
Look at the sentences above and answer the following questions:
- Where is the finite verb in sentences with omdat?
- Where is the infinite verb in sentences with omdat?