36 Jan en zijn hond
Op een zomerdag loopt Jan uit school naar huis. Hij moet 3 kilometer lopen en vertrekt precies om halfvier. Op hetzelfde moment loopt zijn hond hem van huis af tegemoet. Jan loopt met een constante snelheid van 6 kilometer per uur; de hond loopt met een gemiddelde snelheid van 16 km per uur. Als de hond Jan ontmoet, draait hij zich om en rent terug naar huis. Hij rent door totdat Jan thuis is. Hoeveel kilometer loopt de hond?
Bron: Newton Friend, J. (2007). Rekenkronkels. Wispelturigheid van cijfers en getallen. Utrecht: Het Spectrum.