-
Ik ga volgende week ... vakantie.
-
op
-
in
-
We gaan wandelen ... de bergen.
-
op
-
in
-
De kinderen zwemmen ... de zee.
-
op
-
in
-
De meisjes liggen ... het strand.
-
op
-
in
-
Ik ga ... het vliegtuig naar Spanje.
-
met
-
in
-
Ze zitten ... de bus.
-
op
-
in
-
... het museum hangen mooie schilderijen.
-
Binnen
-
In
-
We gaan ... de oude kerk.
-
naar
-
na