Hoofdstuk 2
De vraag
In Start.nl - deel 1 hebben we twee soorten vragen behandeld:
Waar woon jij?
Hoe heten jullie?
Wie is zij?
Kom je uit Nederland?
Studeren jullie hier?
Werken zij in Duitsland?
- Een vraag begint met … of met …
| directe vraag | indirecte vraag |
|---|---|
|
Waar is het postkantoor? |
Kunt u me misschien zeggen waar het postkantoor is? |
|
Hoe laat sta je op? |
Kun je me zeggen hoe laat je opstaat? |
|
Wanneer gaat hij een auto kopen? |
Weet je wanneer hij een auto gaat kopen? |
|
Waarom is hij te laat gekomen? |
Weet je waarom hij te laat is gekomen? |
|
|
|
|
Ga je naar België op vakantie? |
Weet je al of je naar België op vakantie gaat? |
|
Was je iedere avond af? |
Kun je me zeggen of je iedere avond afwast? |
|
Moeten jullie morgen werken? |
Weten jullie of jullie morgen moeten werken? |
|
Heeft zij een museum bezocht? |
Kun je me zeggen of ze een museum heeft bezocht? |
- Als de directe vraag begint met een vraagwoord (waar, wanneer, wie, …), begint het tweede deel van de indirecte vraag met …
- Als de directe vraag begint met een werkwoord (persoonsvorm), begint het tweede deel van de indirecte vraag met …
- Waar staat de persoonsvorm (pv.) in het tweede deel van de indirecte vraag?
- Waar staat het prefix van separabele verba in het tweede deel van de indirecte vraag?
Conclusie: het tweede deel van een indirecte vraag is een bijzin.