In een toets wordt de volgende vraag gesteld.
Een verplicht studieboek wordt aan het begin van het schooljaar tien procent duurder. Halverwege het schooljaar gaat er juist tien procent af van de prijs. Maakt dit wat uit? a. Ja, uiteindelijk ben je na de laatste prijsverlaging toch duurder uit. b. Nee, dit maakt niets uit, de prijs is nu weer hetzelfde als bij de start van het studiejaar. c. Ja, dat maakt uit. Na de laatste prijsverlaging betaal je minder voor het boek dan bij de start van het schooljaar. |
Veel hbo-studenten antwoorden bij deze vraag dat b het goede antwoord is. Maar dat is onjuist: c is het goede antwoord.
Met welk begrip of begrippenpaar kun je de foutieve antwoorden van deze studenten begrijpelijk maken?