Hoofdstukken
- [ui] van huis
- [au] van blauw touw
- [ei] van klein ijsje
- [oe] van boek / [uu] van muur
- [eu] van sleutel
Vraag en antwoord [uu]
Maak een vraag van de zin. Gebruik ‘u’.
Voorbeeld:
> Wilt u … ?
Oplossing:
Ik wil thee. > Wilt u thee?
Neem de oefening voor jezelf op, bijvoorbeeld met je telefoon. Vergelijk je opname met het voorbeeld. Niet tevreden? Doe de oefening nog een keer.
> Wilt u … ?
> Wilt u … ?
> Wilt u … ?
> Wilt u … ?
> Hebt u … ?
> Hebt u … ?
> Hebt u … ?
> Hebt u … ?
> Kunt u … ?
> Kunt u … ?