| De dokter geeft je een ... |
|
|
| als je naar de ... moet. |
|
|
| Je kan medicijnen halen in de ... |
|
|
| met een ... . |
|
|
| Iemand die ziek is, heet een ... . |
|
|
| Bij een ... blijf je slapen in het ziekenhuis. |
|
|
| Als je naar de ... gaat, blijf je niet slapen in het ziekenhuis. |
|
|
| Als je snel hulp nodig hebt, ga je naar de ... in het ziekenhuis. |
|
|
| ... is hetzelfde als spoedeisende hulp. |
|
|
| Een ... is een specialist die helpt met bewegen. |
|
|
| Als je kiespijn hebt, moet je naar de ... . |
|
|
| Heb je ’s avonds of in het weekend een dokter nodig? Dan kun je de ... bellen. |
|
|