Meer dan opvoeden

Hoofdstuk 11

  1. Noem drie redenen waarom een docent in het basis- of voortgezet onderwijs een opvoeder is. Geef een schets van een docent die je kent en die je beschouwt als een goede opvoeder. Kun je ook aangeven wat hem of haar in het bijzonder tot een goede opvoeder maakt?
  2. Regelovertredend gedrag van kinderen is feitelijk heel normaal en escaleert lang niet altijd tot ernstige gedragsproblemen die speciale behandeling behoeven. Welke beschermende factoren kunnen eraan bijdragen dat ‘gewone’ gedragsproblemen in goede banen worden geleid?
  3. In tabel 11.1 (p. 176) bespraken we de meest voorkomende ‘gewone’ en ernstiger problemen in het opgroeien en opvoeden van jeugdigen. Kies er twee uit en zoek in de Databank Effectieve Jeugdinterventies van het Nederlands Jeugdinstituut welke preventieve interventies daarvoor bestaan. Wat kun je over de werkzaamheid van deze programma’s zeggen? 
  4. Een groep ouders maakt zich zorgen over de stap die hun kind gaat maken van de basisschool naar het voortgezet onderwijs. Ze zien allerlei risico’s: pesten, roken en drinken, drugs en onveilige seks. Hoe zou de basisschool deze zorgen kunnen verminderen?
    • Vraag mentoren, ouders en leerlingen van vo-scholen hoe ze met de hiervoor genoemde risico’s omgaan.
    • Zoek uit welke preventieprogramma’s op dit vlak beschikbaar zijn en welke de betreffende basisschool zou kunnen gebruiken.
    • Selecteer met de ouders en de leerlingen de vijf belangrijkste risico’s.  
  5. Verzamel voorbeelden van hoe een pedagogisch medewerker in een kinderdagverblijf, een leerkracht op een basisschool en een leerkracht op een school voor voortgezet onderwijs de vijf belangrijkste opvoedprincipes in de praktijk kunnen brengen.