Nederlands in actie

Uitspraak- en verstavaardigheid

Hoofdstuk 6 - Opdracht 1


Fragment opdracht 1A

Luister naar de volgende zinnen. Let op het accent.

  1. Ik vind ’m niet zo leuk.
    Ik vind hem niet zo leuk, maar haar wel.
     
  2. Wil je nu ’n afspraak maken?
    Wil je nu één of twee afspraken maken?
     
  3. Heb je ’t al geprobeerd?
    Heb je dit al geprobeerd? En dat?
     
  4. Ik heb ’r nog niet gesproken.
    Ik heb haar nog niet gesproken, maar hem wel.
     
  5. M’n vriend spreekt geen Spaans.
    Mijn vriend spreekt geen Spaans. Jouw vriend wel?
     
  6. Z’n ouders keuren ’t niet goed.
    Zijn ouders keuren ’t niet goed, maar haar ouders wel.

Fragment opdracht 1B

Je hoort de zinnen nu nog een keer. Zeg ze na.