Uitspraak- en verstavaardigheid
Hoofdstuk 7 - Opdracht 1
Spreek de zinnen uit. Leg het accent op de woorden die een hoeveelheid aangeven.
Luister daarna naar de voorgelezen zinnen.
- De helft van de auto’s koopt men tweedehands.
- Eén op de vier Nederlanders scoort een voldoende.
- De meeste studenten kopen hun spullen bij een kringloopwinkel, schat ik.
- Het noodfonds is voldoende voor een maand of drie.
- Een toename van tien procent, dat is best veel vergeleken met andere landen.
- Driekwart van de Nederlanders heeft een noodkapitaal aangelegd.
- De meerderheid van de mensen in andere landen heeft een creditcard.
- Om tien uur staat er al een man of tachtig voor de deur.
- De benzine is in Nederland twee keer zo duur als in Amerika.
- Vijf van de tien toeristen komen uit Duitsland.
Fragment opdracht 1