Volgende Vorige Hoofdstuk 10 10.1 Dialoog 10.2 Woordenlijst 10.4 Bedoelen en betekenen 10.5 Imperfectum 10.6 Modale ww 10.9 Uitspraak: ui — eu Verdieping Downloaden en oefenen Opdracht: Vocabulaire Vul het juiste woord in. Klik als je alles hebt ingevuld op Controleer opdracht.Klik op '[?]' als je het antwoord niet weet. Deze knop toont het goede antwoord.Kies uit:helemaal – kapot – gesloten – gebeuren – zelf – inderdaad – lijken – logisch – klaar – duidelijk1 Deze fiets is al 10 jaar oud. Het is [?] een oude fiets.2 Ik begrijp het niet. Het is mij niet [?].3 Ik ben gevallen en nu is mijn broek [?].4 Hoe kon dat [?]?5 Dat [?] me een goed idee.6 Dit appartement is [?] goed: een zonnige kamer, niet ver van het centrum en niet te duur.7 Een gemeubileerd appartement is duurder. Dat is [?].8 Ik wil de broek ruilen maar de kledingzaak is vandaag [?].9 Is de spaghetti carbonara al [?]?10 Wilt u een tasje of hebt u [?] een tasje? Controleer opdracht oké