Volgende Vorige Hoofdstuk 10 10.1 Dialoog 10.2 Woordenlijst 10.4 Bedoelen en betekenen 10.5 Imperfectum 10.6 Modale ww 10.9 Uitspraak: ui — eu Verdieping Opdracht 1: Regelmatige werkwoorden Opdracht 2: Onregelmatige werkwoorden 1 Opdracht 3: Onregelmatige werkwoorden 2 Opdracht 4: Onregelmatige werkwoorden 3 Vul de juiste vorm van het imperfectum in. Klik als je alles hebt ingevuld op Controleer opdracht. Klik op '[?]' als je het antwoord niet weet. Deze knop toont het goede antwoord.1 huren[?] je dat huis met je broer?2 kostenVorig jaar [?] een komkommer veel minder.3 fietsen[?] u zonder licht?4 wonen [?] je samen in dat appartement?5 passen[?] het T-shirt je niet?6 spelenWe [?] vaak bij de buren.7 mankeren Ik [?] gelukkig niets.8 makenHij [?] altijd foto’s van zijn vrienden.9 gebeuren [?] dat vaker?10 gebruikenMijn moeder [?] altijd knoflook. Controleer opdracht oké