-
De burgemeester komt op bezoek bij meneer Hobbelt.
-
waar
-
niet waar
-
Meneer Hobbelt is 100 jaar geworden.
-
waar
-
niet waar
-
Meneer Hobbelt leest nog steeds veel.
-
waar
-
niet waar
-
Meneer Hobbelt is 50 jaar leraar geweest.
-
waar
-
niet waar
-
Meneer Hobbelt was leraar Frans in Nederland.
-
waar
-
niet waar
-
Meneer Hobbelt was leraar Nederlands in Frankrijk.
-
waar
-
niet waar
-
Meneer Hobbelt heeft in Parijs gewoond.
-
waar
-
niet waar
-
De cameraman, Henk, was vroeger een collega van meneer Hobbelt.
-
waar
-
niet waar
-
De cameraman, Henk, was vroeger een leerling van meneer Hobbelt.
-
waar
-
niet waar