Volgende Vorige Hoofdstuk 14 14.1 Dialoog 14.2 Woordenlijst 14.4 Zullen (3) — waarschijnlijkheid Opdracht 9 14.7 Uitspraak: oe — u — uu Verdieping Downloaden en oefenen Opdracht: Vocabulaire Vul het juiste woord in. Klik als je alles hebt ingevuld op Controleer opdracht. Klik op '[?]' als je het antwoord niet weet. Deze knop toont het goede antwoord.Kies uit:nogal – veranderen – meteen – regelmatig – verschil – elk – beide – manier – zeker – waarschijnlijkJe mag elk woord één keer gebruiken. 1 Ik ga [?] weekend naar de sportschool.2 Wil je een jaarabonnement? Weet je dat [?]?3 Kan ik mijn abonnement later nog [?]?4 Wat is het [?] tussen deze training en die groepsles?5 ‘Zullen we dinsdag of donderdag sporten?’ ‘Ik kan [?] dagen.’6 Waarom doe je dat zo? Is dat de enige [?]?7 Ik ga [?] op bezoek bij vrienden.8 [?] komt Maria ook mee. Is dat goed?9 ‘Kan ik lopen naar de Evenementenhal?’ ‘Nee, dat is [?] ver.’10 Mijn fiets is kapot. Ik ga [?] naar de fietsenmaker. Controleer opdracht oké