Volgende Vorige Hoofdstuk 15 15.1 Dialoog 15.2 Woordenlijst 15.3 Beschrijven wat je ziet 15.4 Demonstratief pronomen — zelfstandig 15.7 Uitspraak: ng — ing — nk Verdieping Downloaden en oefenen Opdracht 1: Vocabulaire 1 Opdracht 2: Vocabulaire 2 Vul het juiste woord in. Klik als je alles hebt ingevuld op Controleer opdracht.Klik op '[?]' als je het antwoord niet weet. Deze knop toont het goede antwoord.Kies uit:veilig – moe – vroeger – duren – plat – anders – buiten – logeren – net – geweldig1 Hoelang [?] de treinreis?2 Ik ga drie weken bij mijn oom en tante [?].3 [?] deed ik dat elke zomer.4 ’s Nachts loop ik liever niet alleen over straat. Dat vind ik niet [?].5 Het landschap in Nederland is heel [?] dan in mijn land.6 Wij hebben bergen. Hier is alles [?].7 Je kunt hier goed fietsen. Dat vind ik [?].8 [?] is het koud. Kom snel binnen.9 Ik heb hard gesport. Ik ben nu [?].10 Deze training was [?] als gisteren. Hij was hetzelfde. Controleer opdracht oké