Volgende Vorige Hoofdstuk 18 18.1 Dialoog 18.2 Woordenlijst 18.3 Conjuncties 18.6 Uitspraak: g — sch - isch Verdieping Downloaden en oefenen Opdracht 1: Vocabulaire 1 Opdracht 2: Vocabulaire 2 Vul het juiste woord in. Klik als je alles hebt ingevuld op Controleer opdracht. Klik op '[?]' als je het antwoord niet weet. Deze knop toont het goede antwoord.Kies uit:verder – nergens – eruitzien – steeds – onmiddellijk – overal – vervelend – halen – zulk – namelijk1 Mijn portemonnee is gestolen. Dat is heel [?], hij is [?] net nieuw.2 Ik heb [?] gezocht, maar ik kan hem niet vinden.3 Kun je vertellen hoe jouw dagen [?]?4 Vanochtend heb ik gewerkt. [?] heb ik gestudeerd. 5 We hebben een groot probleem. Kun je [?] komen?6 Zal ik koffie voor je [?]?7 Ik wil een afspraak met Max maken, maar dat lukt [?] niet.8 Met [?] weer gaan mensen niet naar de bioscoop.9 Ik wil die film graag zien, maar die draait [?] meer. Controleer opdracht oké