Volgende Vorige Hoofdstuk 18 18.1 Dialoog 18.2 Woordenlijst 18.3 Conjuncties 18.6 Uitspraak: g — sch - isch Verdieping Opdracht 1: Conjuncties 1 Opdracht 2: Conjuncties 2 Maak van beide zinnen één zin. Gebruik de conjunctie. Klik als je alles hebt ingevuld op Controleer opdracht. Klik op '[?]' als je het antwoord niet weet. Deze knop toont het goede antwoord.1 hoewelIk ga op vakantie.Ik heb weinig geld.[?].2 omdatHij kan geen geld halen.Zijn rekening is geblokkeerd.[?].3 zodatIrene komt morgen vroeg uit bed.Ze kan veel doen.[?].4 zodraDe fietsenmaker neemt contact met je op.Je fiets is gemaakt.[?].5 voordatIk ga naar de sportschool.Ik ga bij Peter andijvie met spekjes eten.[?].6 toenMijn zus is op reis naar Colombia gegaan.Ze was klaar met haar studie.[?].7 alsJe hoeft de paella niet op te eten.Je vindt het niet lekker.[?].8 nadatIk ga op vakantie.De cursus Nederlands is afgelopen.[?].9 terwijlIk snijd de bloemen schuin af.Jij maakt koffie.[?]. Controleer opdracht oké