Nederlands in gang

Hoofdstuk 2

Vul de juiste vorm van het werkwoord in. Klik als je alles hebt ingevuld op Controleer opdracht.
Klik op '[?]' als je het antwoord niet weet. Deze knop toont het goede antwoord.

1 zitten
Esther en Zayneb in de kantine.

2 krijgen
Melanie een kopje koffie van Claire.

3 kijken
Karim naar de foto’s van zijn zus.

4 doen
Wat jij op dit moment?

5 weten
jullie hoe laat het is?

6 vertellen
Ik over de kinderen van mijn broer.

7 willen
Waar jij wonen?

8 moeten
Welke tekst we lezen?