Volgende Vorige Hoofdstuk 3 3.1 Dialoog 3.2 Woordenlijst 3.6 Artikel 3.7 Hoofdzin + inversie 3.8 Rangtelwoorden 3.10 Uitspraak: o — oo Verdieping Downloaden en oefenen Opdracht: Vocabulaire Welk woord past in de zin? toon alle opgaven vorige volgende Ik ___ morgen op bezoek. ? kom ? roep ? begin Hé, hallo! Wie ___ hij? ? geeft ? vertelt ? roept Waar kan ik koffie ___? ? roepen ? bestellen ? kennen Ober, ik wil alles ___. ? betalen ? komen ? geven Wat willen jullie? Ik ___ een biertje. ? krijg ? neem ? begin ___ jij de seizoenen? ? Bestel ? Vertel ? Ken De docent ___ een boek aan Ning en Susy. ? neemt ? geeft ? komt Jullie _____ om 9.00 uur. ? betalen ? krijgen ? beginnen De docent ___ alles. ? vertelt ? roept ? begint Jullie ___ over een kwartier pauze. ? komen ? betalen ? krijgen oké