Volgende Vorige Hoofdstuk 5 5.1 Dialoog 5.2 Woordenlijst 5.4 Pluralis 5.5 Adjectief 5.8 Imperatief 5.10 Uitspraak: zinsaccent en u — uu Verdieping Opdracht 1: Adjectief 1 Opdracht 2: Adjectief 2 Vul de juiste vorm van het adjectief in. Klik als je alles hebt ingevuld op Controleer opdracht. Klik op '[?]' als je het antwoord niet weet. Deze knop toont het goede antwoord.1 vrijDaar is een [?] plaats.2 jongMargot is een [?] moeder.3 kortHet is een [?] film. 4 donkerHij heeft een [?] bril. 5 FransDrinkt hij [?] wijn? 6 prachtigDat is een [?] boek! 7 SpaansWaar is de [?] tekst?8 goedkoopIk neem dat [?] gerecht.9 roodIk koop de [?] kopjes voor Sylvia.10 fantastischDat is een [?] idee van Robin en David! Controleer opdracht oké