Nederlands in gang

Hoofdstuk 7

Wat hoort bij elkaar? Zoek de items in de linkerkolom bij die uit de rechterkolom. Je mag elk item één keer gebruiken. Klik als je alles hebt ingevuld op Controleer opdracht.
Hij draagt een bruine trui, een blauwe ___ en zwarte schoenen.
Het ___ van deze jas is leuk, maar ik vind hem te lang.
Twee paprika’s alstublieft. Welke ___? Een rode en een gele.
Op de ___ staan de prijs en de datum.
Zullen we ___? Ik neem jouw soep, jij neemt mijn salade.
Ik moet even geld halen, want je kunt hier niet ___.
___ welke studie hij gaat doen.
Wilt u de T-shirts nog ___?
Ik wil graag de mosterdsoep ___.