Volgende Chapter 1 1.1 Dialoog 1.2 Woordenlijst 1.4 Personaal pronomen 1.5 Telwoorden 1.6 Het alfabet 1.9 Uitspraak: zinsaccent Extra material Opdracht 1: Personaal pronomen Opdracht 2: Werkwoord hebben Opdracht 3: Werkwoord zijn Opdracht 4: Werkwoorden Vul een vorm in van het werkwoord zijn. Klik als je alles hebt ingevuld op Controleer opdracht.Klik op '[?]' als je het antwoord niet weet. Deze knop toont het goede antwoord.1 Rita [?] de docent van Tim en George.2 Wat [?] jouw adres?3 Wie [?] jij?4 Dag, ik [?] Pauline.5 Karin en Paul [?] docenten. Controleer opdracht oké