Nederlands in gang

Chapter 14

Vul het juiste woord in. Klik als je alles hebt ingevuld op Controleer opdracht.
Klik op '[?]' als je het antwoord niet weet. Deze knop toont het goede antwoord.

Kies uit:

nogal – veranderen – meteen – regelmatig – verschil – elk – beide – manier – zeker – waarschijnlijk

Je mag elk woord één keer gebruiken.

1 Ik ga weekend naar de sportschool.
2 Wil je een jaarabonnement? Weet je dat ?
3 Kan ik mijn abonnement later nog ?
4 Wat is het tussen deze training en die groepsles?
5 ‘Zullen we dinsdag of donderdag sporten?’ ‘Ik kan dagen.’
6 Waarom doe je dat zo? Is dat de enige ?
7 Ik ga op bezoek bij vrienden.
8 komt Maria ook mee. Is dat goed?
9 ‘Kan ik lopen naar de Evenementenhal?’ ‘Nee, dat is ver.’
10 Mijn fiets is kapot. Ik ga naar de fietsenmaker.