Volgende Vorige Chapter 2 2.1 Dialoog 2.2 Woordenlijst 2.7 Vraagwoordvragen 2.8 Possessief pronomen 2.13 Uitspraak: a — aa Extra material Download and practice Opdracht: Vocabulaire Welk woord past in de zin? Klik als je alles hebt ingevuld op Controleer opdracht. Klik op '[?]' als je het antwoord niet weet. Deze knop toont het goede antwoord. Kies uit:andere – eigenlijk – morgen – jonger – weten – al lang – weer – nog – vandaag – pasJe mag elk woord één keer gebruiken. 1 We [?] zijn adres en achternaam.2 Ik woon 5 jaar in Nederland. Dat is [?].3 Heb je een [?] bril?4 Welke datum is het [?]?5 [?] is het zondag, [?] is het maandag.6 Hebben we morgen [?] les van u?7 Zij woont [?] een week in Utrecht.8 Is je broer [?]?9 Wil je [?] een kopje koffie? Controleer opdracht oké