Volgende Vorige Chapter 4 4.1 Dialoog 4.2 Woordenlijst 4.6 Vragen iets samen te doen 4.8 Uitspraak: e — ee Extra material Download and practice Opdracht 1: Vocabulaire 1 Opdracht 2: Vocabulaire 2 Welk woord past in de zin? Klik als je alles hebt ingevuld op Controleer opdracht.Klik op '[?]' als je het antwoord niet weet. Deze knop toont het goede antwoord.Kies uit:veel – volgende – paar – geleden – thuis – gauw – belangrijk – direct – ietsJe mag elk woord één keer gebruiken. 1 Hoi Hans. Hoe is het met jou? Dat is lang [?].2 Ik doe een cursus Nederlands. Dat is heel [?].3 Ze gaat met een [?] cursisten naar het café.4 Ik drink [?] koffie.5 Willen jullie [?] drinken?6 Ik vier mijn verjaardag [?].7 Doeg. Tot [?].8 Jullie hebben [?] week vakantie.9 Zal ik mijn telefoonnummer [?] geven? Controleer opdracht oké