Volgende Vorige Chapter 5 5.1 Dialoog 5.2 Woordenlijst 5.4 Pluralis 5.5 Adjectief 5.8 Imperatief 5.10 Uitspraak: zinsaccent en u — uu Extra materiaal Opdracht 1: Adjectief 1 Opdracht 2: Adjectief 2 Klik de juiste vorm van het adjectief aan. toon alle opgaven vorige volgende Ilse heeft een ___ zus ? blond ? blonde We hebben een ___ weekend. ? lange ? lang Een ___ dag verder! ? fijne ? fijn ___ vakantie! ? Prettige ? Prettig Het ___ broertje van Anika heet Jochem. ? klein ? kleine We hebben nu een ___ pauze. ? korte ? kort Het is een ___ jaar voor de tomaten. ? slechte ? slecht Het is _____ weer in Venetië! ? uitstekend ? uitstekende Is dat een ___ boek? ? mooi ? mooie Ben ik bij het ___ adres? ? goed ? goede oké