Volgende Vorige Chapter 5 5.1 Dialoog 5.2 Woordenlijst 5.4 Pluralis 5.5 Adjectief 5.8 Imperatief 5.10 Uitspraak: zinsaccent en u — uu Extra materiaal Opdracht: Imperatief Klik de vorm aan die het best past bij de situatie of bij de persoon die het zegt. toon alle opgaven vorige volgende In een recept: ? Kook eerst de aardappelen. ? Koken jullie eerst de aardappelen. ? Kookt u eerst de aardappelen maar. De docent: ? Luisteren jullie goed naar de cd? ? Luister goed naar de cd. ? Jullie luisteren goed naar de cd. De groenteboer: ? U zegt het. ? Zegt u het. ? Zegt u het maar. De docent: ? Schrijf je naam in je boek. ? Schrijft u uw naam in uw boek. ? Schrijf je je naam in je boek? Met een vriendin: ? Je neemt een kopje koffie. ? Neemt u een kopje koffie. ? Neem maar een kopje koffie. De ober: ? Gaat u hier maar zitten. ? Ga je hier even zitten? ? U gaat hier zitten. oké