-
Ik kan niet denken. Mijn ___ doet zeer.
-
nek
-
hoofd
-
schouder
-
Ik kan niet goed lopen. Ik heb last van mijn ___.
-
voet
-
nek
-
hand
-
Au, au, de koffie is te warm. Nu doet mijn ___ pijn.
-
neus
-
gezicht
-
mond
-
Ik voel me niet goed. Ik wil niet eten. Ik heb last van mijn ___.
-
rug
-
buik
-
been
-
Sorry, ik kan je niet goed horen. Ik heb last van mijn ___.
-
ogen
-
enkels
-
oren
-
Ik kan je geen ___ geven. Die doet zeer.
-
hand
-
vinger
-
pols
-
Ik heb gisteren gevoetbald. Nu heb ik last van mijn ___.
-
handen
-
benen
-
schouders
-
Ik ben heel verkouden. Mijn ___ is rood.
-
neus
-
oor
-
nek