Nederlands op niveau

Hoofdstuk 3

Onregelmatige werkwoorden

Opdracht 4

Vul het juiste werkwoord in de juiste vorm in. Kies uit:

bewegen bewijzen blazen knijpen onderhouden spijten verstaan verwerpen wrijven zwerven

Klik op 'extra letter' als je het antwoord niet weet.

Als je klaar bent met de opdracht klik je op 'controleer' om je antwoorden te controleren.


1. Bij een alcoholcontrole heb ik in een apparaatje .

2. Het hem dat hij het niet eerder had gedaan, maar hij was er niet aan toegekomen.

3. Terwijl hij wegfietste, riep hij nog iets maar ik het niet.

4. De commissie het plan en dus moesten we iets nieuws bedenken.

5. Jarenlang hebben haar ouders haar nog maar uiteindelijk moest ze toch zelf haar brood gaan verdienen.

6. Ze in haar ogen omdat ze slaap had.

7. John dat hij zijn studie echt serieus nam: hij studeerde hard en haalde alle tentamens.

8. Ik maak nog even een foto van je, want je hebt je . Je kunt niet zien wie er nu op de foto staat.

9. Deze familie heeft door half Europa voordat ze ergens een veilig thuis vonden.

10. Ik krijg de dop van die fles niet open. Ik heb erin en eraan gedraaid. Maar het is niet gelukt.