Nederlands op niveau

Hoofdstuk 4

Grammatica

Opdracht 4

Maak de zinnen af. Kies de juiste werkwoordstijd. Maak gebruik van het werkwoord tussen haakjes.
Klik op 'extra letter' als je het antwoord niet weet.

Als je klaar bent met de opdracht klik je op 'controleer' om je antwoorden te controleren.


1. Hoe kom je aan dat litteken? Ik (vallen).

2. Het is verstandig om je tanden te poetsen nadat je (eten).

3. We vonden Venetië vorige week weer heel interessant. Drie jaar geleden we ook (rondwandelen) in de stad, maar het was nu nog boeiender.

4. Toen ik in Venetië woonde, (varen) ik met de taxiboot door het Canal Grande. Elke dag! Ik kon dus steeds weer genieten van de schoonheid van de stad.

5. Ik ben een beetje moe van het klussen. We alles (afmaken).

6. De toegang tot het station was geblokkeerd. Gisteren we daarom (te laat komen).

7. De compact disc is een Nederlandse uitvinding, maar wie hem eigenlijk (uitvinden)?

8. Ik was het niet met zijn opvatting eens, omdat ik te veel voorbeelden (tegenkomen) waaruit bleek dat hij ongelijk had.

9. Voordat hij (examen doen), had hij zijn examentraining met succes afgerond.

10. Het was een ontroerend moment toen de twee broers elkaar (terugzien).