Nederlands op niveau

Hoofdstuk 4

Vocabulaire

Opdracht 2

Vul een werkwoord in. Kies uit:

aanpakken aanraken aanspreken aanstellen afdwingen behandelen eisen inrichten inzetten mopperen omspringen onderdrukken onderhouden opeisen schetsen wijden verzetten

Klik op 'extra letter' als je het antwoord niet weet.

Als je klaar bent met de opdracht klik je op 'controleer' om je antwoorden te controleren.


1. Een kind, een probleem, een klusje kun je .

2. Een gezin, contacten, een netwerk kun je .

3. Een kamer, een cursus, een tuin kun je .

4. Een afwijking, een verslaving, een klacht kun je .

5. Respect, waardering, een akkoord kun je .

6. Schadevergoeding, geld, voorrang kun je .

7. Een volk, een geeuw, jaloezie kun je .

8. Voor gelijkwaardigheid, de samenleving, een goed doel kun je je .

9. Aandacht, geld, de leiding kun je .

10. Een beeld, een behandeling, een toekomst kun je .

11. Tegen onderdrukking, een verdeling, een opvatting kun je je .

12. Een voorbijganger, een leidinggevende, een kleuter kun je .

13. Een persoon, een voorwerp, een beeld kun je .

14. Op je partner, je kinderen, je collega’s kun je .

15. Aan de opvang van dieren, de wetenschap, je gezin kun je je .

16. Met water, energie, personen kun je .

17. Een medewerker, een gids, een leidinggevende kun je .