Rekenen en wiskunde uitgelegd

Hoofdstuk 3

Metriek stelsel


Maak de opgaven. Klik op 'Controleer' om je antwoorden te controleren. Als je alles goed hebt, kun je van enkele opgaven uitwerkingen bekijken.
  1. Ans en Wim zijn aan het vliegeren. Ze hebben een haspel met 100 meter vliegertouw erop. De vlieger staat heel hoog aan de hemel en al het touw is afgerold. Ans heeft de vlieger vast en Wim loopt met grote passen van wel één meter van haar af, tot hij onder de vlieger staat. Hij roept: ‘52 meter.’ Hoe hoog staat de vlieger? Geef je antwoord afgerond op hele meters. m
  2. Een flat is 12 m hoog. De glazenwasser weet dat hij zijn ladder dan 4 m van de muur moet neerzetten. Hoeveel m moet hij de ladder uitgeschuiven zodat hij tegen de dakrand rust? Geef je antwoord op twee cijfers achter de komma. m
  3. Van de rechthoekige driehoek hierna is de ene rechthoekszijde 7 cm en de andere rechthoekszijde 19 cm.



    Bereken de lengte van de langste zijde. Geef je antwoord tot op twee centimeters achter de komma. cm
  4. Reken van onderstaande driehoek de lengte van de zijde met het vraagteken uit.



    Geef je antwoord tot op twee cijfers achter de komma.
  5. Reken van onderstaande driehoek de lengte van de zijde met het vraagteken uit.



    Geef je antwoord op twee cijfers achter de komma.
  6. Reken van onderstaande driehoek de lengte van de zijde met het vraagteken uit.



    Geef je antwoord tot op twee cijfers achter de komma.
  7. In een rechthoekige kamer van 5 × 4 × 2,5 worden slingers opgehangen vanuit het middelpunt van het plafond naar de hoeken. De slingers worden strak getrokken en bevestigd op 50 centimeter van het plafond af. Hoe lang is elke slinger? Geef je antwoord tot op twee cijfers achter de komma. m lang
  8. Van ∆ ABC is gegeven: hoek A is 90°, AB = 48 cm en CB = 80 cm
    1. Bereken zijde AC. cm
    2. Bereken de oppervlakte van deze driehoek. cm2