In de volgende contexten en modellen wordt een vermenigvuldiging uitgebeeld. In welk plaatje gaat het om de opgave 5 × 8?
alle bovenstaande modellen
In een tafeldictee valt je op dat een leerling de opgave 6 × 5 niet weet. Zij weet echter 5 × 6 wel direct. De leerling heeft duidelijk minder moeite met de tafel van 5 dan die van 6. Door middel van welke eigenschap kan deze leerling geholpen worden, zodat ze in het vervolg 6 × 5 ook direct weet?
commutatieve eigenschap
distributieve eigenschap
groter en kleiner maken
inverse eigenschap
Een leerling moet de opgave 87 – 49 oplossen. Dit doet hij door eerst 50 van de 87 af te halen en dan weer één erbij te doen. Van welke eigenschap maakt deze leerling dan gebruik?
commutatieve eigenschap
compenseren
associatieve eigenschap
inverse eigenschap
Stelling I: een willekeurig geheel getal is deelbaar door 24 als dit getal deelbaar is door 3 en 8. Stelling II: een willekeurig geheel getal is deelbaar door 24 als dit getal deelbaar is door 4 en 6.
Wat is correct?
Alleen stelling I is waar.
Alleen stelling II is waar.
Beide stellingen zijn waar.
Beide stellingen zijn niet waar.
Stelling I: een willekeurig geheel getal is deelbaar door 36 als dit getal deelbaar is door 4 en 9. Stelling II: een willekeurig geheel getal is deelbaar door 36 als dit getal deelbaar is door 6 en 12.
Wat is correct?
Alleen stelling I is waar.
Alleen stelling II is waar.
Beide stellingen zijn waar.
Beide stellingen zijn niet waar.
Bereken de opgave: (−1 – 7) × 6 + 12 : (2 – 5) =
−23
−42
−52
52
Stelling I: het zestiende driehoeksgetal is te vinden door 1 + 2 + 3 + … + 16 uit te rekenen. Stelling II: het zestiende driehoeksgetal is te vinden door 17 × 8 uit te rekenen.
Wat is correct?
Alleen stelling I is waar.
Alleen stelling II is waar.
Beide stellingen zijn waar.
Beide stellingen zijn niet waar.
Wat is correct? Als je twee opeenvolgende vierkantsgetallen bij elkaar optelt, dan krijg je altijd:
Een activiteit voor groep 3: ‘Waar op de getallenlijnen zit 11 ongeveer?’
Om welke wiskundige activiteit gaat het hier?
positioneren
rijgen
schematiseren
splitsen
Leerlingen oefenen met het werken met de rekenmachine. Op het schermpje staat het getal 388.764. De leerkracht vraagt: ‘Deel het eens door een getal waardoor de uitkomst nog steeds uit een getal van 6 cijfers bestaat.’ Een leerling gaat delen en ziet op het schermpje: error. Wat heeft de leerling verkeerd gedaan?
Hij heeft gedeeld door 0.
Hij heeft gedeeld door een getal kleiner dan 388764.
Hij heeft gedeeld door een getal groter dan 388764.
Hij heeft vergeten te delen en alleen het =−teken ingedrukt.
Reken uit: 8 : 2 × (3 + 1) – 7,5 : 2,5 − 1 + 3 =. Welk van de onderstaande antwoorden is de juist uitkomst?
15
−6
9
0
Stelling I: Als een getal deelbaar is door 24 en ook door 6, dan is het getal ook deelbaar door 144. Stelling II: Als een getal deelbaar is door 3 en ook door 5, dan is het getal ook deelbaar door 15
Welke van deze stellingen is (zijn) waar?
alleen I
alleen II
beide
geen van beide
Gegeven de opgave: reken 29,9985 : 15 handig uit. Vier oplossingen van leerlingen:
Anne: Eerst doe ik 29,9985 delen door 10 en daarna 29,9985 delen door 5 en dan tel ik beide uitkomsten bij elkaar op.
Berend: Eerst tel ik 0,0015 bij 29,9985 op, dat wordt dan 30, dan deel ik 30 door 15. Daar doe ik dan 0,0015 gedeeld door 15 van aftrekken.
Cecille: Ik tel ook eerst 0,0015 bij 29,9985 op, dat wordt dan 30, dan deel ik ook 30 delen door 15, maar daar trek ik dan 0,0015 van af.
Diederik: Ik maak gewoon een staartdeling. Dat werkt altijd!
Welk van bovenstaande leerlingen rekent de opgave handig en correct uit?
Anne
Berend
Cecille
Diederik
Op een markt zijn er half zoveel mannen als vrouwen. Het aantal volwassenen is een derde van het aantal kinderen. Er zijn 3600 mensen op de markt. Hoeveel kinderen zijn er?
1900
1200
2700
1800
De som van drie getallen is 96. Het grootste getal is 3 keer zo groot als het kleinste getal. Het middelste getal is 2 keer zo groot als het kleinste getal. Wat is de waarde van het grootste getal?
48
32
64
16
Moeder en dochter zijn over vijf jaar samen 74 jaar. Nu schelen zij 28 jaar. Hoe oud zijn moeder en dochter nu?
Moeder is 50 jaar en dochter is 22.
Moeder is 51 jaar en dochter is 23.
Moeder is 46 jaar en dochter is 18.
Moeder is 41 jaar en dochter is 13.
Gegeven de opgave: 60,4 – ... = 21,64. Piet berekent dit als volgt: ‘Ik neem 21,64 en doe er eerst 0,76 bij; dan zit ik op 22,4. Dan nog 8 erbij is 30,4 en nog 30 erbij is 60,4. In totaal heb ik er dan 38,76 erbij gedaan.’ Welke eigenschap van de bewerking gebruikt Piet in zijn oplossing?
inverse eigenschap
associatieve eigenschap
compenseren
distributieve eigenschap
Hoeveel paren schudden elkaar de hand als 30 mensen na een vergadering elkaar allemaal een hand geven?