Onderstaande grafiek geeft informatie over twee zaken: Links: de bevolkingsomvang naar leeftijd in duizendtallen van Duitsland in 2001. Rechts: de verwachte bevolkingsomvang naar leeftijd in duizendtallen van Duitsland in 2050.
(bron: NRC 30-8-2003)
Welke bewering op grond van deze grafiek is waar?
In 2001 zijn er ongeveer 700.000 mensen van 56 jaar.
Het aantal mensen met een leeftijd van 90 jaar zal in 2050 ongeveer vier keer zo veel zijn als in 2001.
Het aantal geboortes zal gedurende de komende 35 jaren naar verwachting geleidelijk toenemen.
Het 'deukje' in de grafiek bij B wordt hoogstwaarschijnlijk veroorzaakt door het 'deukje' bij A.
Een grappenmaker maakte onderstaande puntenwolk.
Welke van onderstaande beweringen is correct op basis van bovenstaande puntenwolk?
Er is geen relatie tussen gewicht en intelligentie.
Hoe zwaarder men is des te intelligenter men overkomt.
Hoe zwaarder men is des te dommer men overkomt.
Mensen met een gemiddeld gewicht zijn gemiddeld intelligent.
Gegeven: vier bloemenvazen:
De vazen worden om de beurt gevuld. De kraan staat steeds helemaal open.
Welke grafiek past het beste bij welke vaas?
I C II A III D IV B
I B II C III A IV D
I A II B III D IV C
I C II A III B IV D
Bij welke meetschaal kent men een absoluut nulpunt?
nominale kwalitatieve schaal
ordinale kwalitatieve schaal
kwantitatieve intervalschaal
kwantitatieve ratioschaal
Wereldwijd is onderzocht in welke mate ouders hun kinderen aansporen om leerkracht te worden. Dit gegeven werd afgezet tegen het respect dat in de verschillende landen voor leerkrachten gemeten is.
(bron: Varkey Gems Foundation (2013). The Global Teacher Status Index)
Welke meetschaal gebruikt men om dit vast te leggen?
nominale kwalitatieve schaal
ordinale kwalitatieve schaal
kwantitatieve intervalschaal
kwantitatieve ratioschaal
Bij omgekeerd evenredigheid is het product van twee grootheden steeds constant. Welke vorm heeft de grafiek van deze functie?
rechte lijn stijgend
rechte lijn dalend
parabool
hyperbool
Stelling I: de uitspraak ‘een breuk vermenigvuldigd met zijn omgekeerd is gelijk aan 1’ is een voorbeeld van omgekeerd evenredigheid.
Stelling II: twee gelijkwaardige breuken zijn een voorbeeld van rechtevenredigheid.
Wat geldt voor deze stellingen?
Stelling I is waar, stelling II niet.
Stelling II is waar en stelling I niet.
De stellingen zijn allebei waar.
De stellingen zijn allebei niet waar.
In onderstaande grafiek staat de ontwikkeling van de temperatuur en van de neerslag in Noord-Duitsland weergegeven.
Twee leerlingen stellen het volgende over deze grafiek:
Joris: ‘In januari is het misschien koud, maar wel nagenoeg droog.’
Mieke: ‘In de zomer is het warm en meestal droog.’
Welke uitspraken van bovenstaande leerlingen zijn waar?
die van Joris
die van Mieke
beide
geen van beide
Een fietsenmaker heeft in een grafiek bijgehouden hoeveel hij in de eerste helft van 2013 per maand verdiende aan verkoop en hoeveel aan reparaties.
In welke maand verdiende hij het meeste geld ?
maart
april
mei
juni
De ontwikkeling van het speciaal onderwijs wordt in volgende grafieken weergegeven:
(bron: MinOCW, november 2010)
Welke van onderstaande uitspraken is waar gezien de bovenstaande grafieken over een periode van 2005/2006 tot en met 2009/2010?
Binnen cluster 2 scholen nemen het aantal leerlingen zowel binnen het SO als binnen het VSO toe.
Binnen cluster 3 scholen neemt het aantal leerlingen in het SO als in het VSO af.
Binnen cluster 4 scholen neemt het aantal leerlingen in het SO af, maar in het VSO toe.
Binnen cluster 2 scholen nemen het aantal leerlingen binnen het SO en VSO af.
In een spreidingsdiagram (of puntenwolk) wordt de relatie tussen temperatuur en vochtigheid weergegeven.
In het gegeven diagram liggen alle punten ongeveer langs een lijn. Welke van onderstaande uitspraken is waar?
Hoe hoger de vochtigheid des te hoger de temperatuur.
Er is een grote samenhang tussen temperatuur en vochtigheid.
Er is geen grote samenhang tussen temperatuur en vochtigheid.
De samenhang tussen deze twee berust louter op toeval.
Één uur meer werken is gelijk aan 5 euro meer verdienen. Van wat voor soort verband is dit een voorbeeld?
recht evenredig
omgekeerd evenredig
lineair
discreet
Bij evenredigheid kunnen ook machten betrokken zijn. Als een steen van een toren wordt gegooid, is de afstand die de steen valt evenredig met het kwadraat van de tijd die de val duurt. De formule is a = kt2 (a = afstand, t = tijd en k is een constante). Als bekend is dat een steen 19,6 meter valt in 2 seconden. Welke afstand legt hij dan af in 3 seconden?
14.7
19.6
29.4
44.1
R en S zijn recht evenredig. R = 18 als S = 15. Wat is R als S = 20?