Chapter 8
Present perfect simple tense
Ik heb je lang niet gezien.
Ik ben een weekje naar Portugal gegaan.
Ik heb heerlijk gewandeld.
Ik heb met vrienden gefietst.
Ik heb mijn huis opgeruimd.
Ik heb mijn familie bezocht.
Look at the sentences above.
- Which verbs can be in the second position in the present perfect tense?
- What is the last letter of the participle?
- What happens to the prefix of separable verbs?
- Does the participle always start with ge-?
| regular verbs |
|---|
Ik heb heerlijk gewandeld. Hij heeft in Amsterdam gestudeerd. We hebben naar muziek geluisterd. Ze heeft haar moeder opgebeld.
Ze heeft met vrienden gefietst. Jullie hebben hard gewerkt. Ik heb een pizza gemaakt. We hebben het bed opgemaakt.
perfectum: hebben/zijn + participle
participle: (prefix) ge + stem + d/t
softketchup + x → +t
wandelen l → not in sftktchp + x → +d gewandeld
werken k → in sftktchp + x → +t gewerkt
antwoorden → geantwoord (only one ‘d’) praten → gepraat (only one ‘t’) |
| without ge- |
|---|
The participles of verbs starting with the following prefixes do not start with ge-:
ont- (ontmoeten → Ik heb … ontmoet.) er- (erkennen → We hebben … erkend.) her- (herhalen → Hij heeft … herhaald.) ver- (verhuizen → Ze zijn … verhuisd.) be- (beloven → Jij hebt … beloofd.) ge- (geloven → Jullie hebben … geloofd.) |
| irregular verbs |
|---|
gaan - (zijn) gegaan komen - (zijn) gekomen doen - (hebben) gedaan zijn - (zijn) geweest eten - (hebben) gegeten etc. |
You can find the most frequently used participles in the back of your book.