Volgende Vorige Hoofdstuk 12 12.1 Dialoog 12.2 Woordenlijst 12.3 De weg vragen en wijzen 12.4 Demonstratief pronomen — zelfstandig 12.5 Beschrijven wat je ziet 12.6 Scheidbare werkwoorden 12.7 Uitspraak: -isch en -tie Verdieping Gatentekst Leestekst Extra opdracht 1: Werkwoorden Extra opdracht 2: Reactie Intensieve luistertekst Filmpje Liedje Klik de juiste reactie aan. toon alle opgaven vorige volgende Je bent voor het eerst in Nederland. Bij alle winkels staan veel fietsen. Wat zeg je? ? Kijk eens, wat veel fietsen voor de winkels. ? Moet je eens zien, dat veel. Het is winter en het is koud. Je bent in Amsterdam. Op straat lopen toeristen in T-shirt en korte broek. Wat zeg je? ? Moet je eens zien, die toeristen vinden het niet koud. ? Kijk eens wat een toeristen. Je zit in het vliegtuig. Het vliegtuig is boven de Alpen. Wat zeg je? ? Kijk eens wat een bergen. ? Moet je eens zien, wat is het hier plat. Je moet naar de universiteit. Onderweg zie je dat de straat heel vies is. Wat zeg je? ? Moet je eens zien, wat een vieze straat. ? Kijk eens, is de straat vies. Je zit in de trein en je ziet een groot vliegtuig. Wat zeg je? ? Kijk eens, wat een groot vliegtuig. ? Moet je eens een groot vliegtuig zien. oké