In de startblokken

Hoofdstuk 15

Geef antwoord op de vragen. Gebruik zijn + aan + infinitief en gebruik de woorden tussen haakjes. Klik als je alles hebt ingevuld op Controleer opdracht.
Klik op '[?]' als je het antwoord niet weet. Deze knop toont het goede antwoord.

1 Wat doe je?
(het studeren) – Ik .

2 Wat deed je gisteravond om 19.30 uur?
(in de sportschool sporten) – .

3 Wat is Ruben aan het doen?
(koken) – Ruben .

4 Kan ik vanavond om acht uur langskomen?
(sporten) – Nee, .

5 Was je met iets bezig?
(bellen met mijn moeder) – .

6 Is Karin ook aanwezig?
(lunchen) – Nee, .

7 Kan ik je vanavond om 6 uur bellen?
(eten) – Nee, dan .

8 Ik hoorde iets vreemds.
(zingen) – O sorry, ik .

9 Heb je last van de muziek?
(lezen) – Ja, en ik kan niet goed lezen met muziek.

10 Waar is deze foto gemaakt?
(wandelen bij het Naardermeer) – We waren .