Volgende Vorige Hoofdstuk 3 3.1 Dialoog 3.2 Woordenlijst 3.4 Artikel / diminutief 3.5 Zinnen: hoofdzin + inversie 3.6 Rangtelwoorden Verdieping Downloaden Opdracht: Vocabulaire Welk woord past in de zin? Klik als je alles hebt ingevuld op Controleer opdracht.Klik op '[?]' als je het antwoord niet weet. Deze knop toont het goede antwoord.Kies uit:kennen – nemen – roepen – bestellen – betalen – geven – krijgen – vertellen – komen – beginnen1 Ik [?] morgen op bezoek.2 Hé, hallo! Wie [?] hij?3 Waar kan ik koffie [?]?4 Ober, ik wil alles [?].5 Wat willen jullie? Ik [?] een biertje.6 [?] jij de seizoenen?7 De docent [?] een boek aan Nina en Stefan.8 Jullie [?] om 9.00 uur.9 De docent [?] alles.10 Jullie [?] over een kwartier pauze. Controleer opdracht oké