Volgende Vorige Hoofdstuk 3 3.1 Dialoog 3.2 Woordenlijst 3.4 Artikel / diminutief 3.5 Zinnen: hoofdzin + inversie 3.6 Rangtelwoorden Verdieping Opdracht 1: Hoofdzin + inversie 1 Opdracht 2: Hoofdzin + inversie 2 Opdracht 3: Hoofdzin + inversie 3 Maak de zin compleet. Het begin is gegeven. Klik als je alles hebt ingevuld op Controleer opdracht. Klik op '[?]' als je het antwoord niet weet. Deze knop toont het goede antwoord.1 het café – in de Rozenstraat – isIn de Rozenstraat [?].2 komt – donderdag – mijn broerDonderdag [?].3 op vakantie – deze week – is – MarcDeze week [?].4 jullie docent – maandag – is – JohanMaandag [?].5 mijn achternaam – Hendriks – isHendriks [?].6 voor Silke – we – bestellen – witte wijnVoor Silke [?].7 afrekenen – jullie – hier – moetenHier [?].8 in Nederland – voor zijn werk – hij – isVoor zijn werk [?].9 over mijn vakantie – ik – later – vertelLater [?].10 ik – betaal – het eerste rondjeHet eerste rondje [?]. Controleer opdracht oké