Volgende Vorige Hoofdstuk 6 6.1 Dialoog 6.2 Woordenlijst 6.5 Modale werkwoorden 6.6 Uitspraak: i — ie Verdieping Opdracht 1: Modale werkwoorden 1 Opdracht 2: Modale werkwoorden 2 Opdracht 3: Modale werkwoorden 3 Vul een vorm in van mogen, willen, moeten, kunnen of zullen. Wat is logisch? Klik als je alles hebt ingevuld op Controleer opdracht.Klik op '[?]' als je het antwoord niet weet. Deze knop toont het goede antwoord.1 [?] je nu al Nederlands spreken? Wat goed!2 Jonas is 16 jaar. [?] hij bier bestellen in een café?3 Ik heb dorst. Ik [?] iets drinken.4 Bert komt vandaag niet. Hij [?] werken.5 [?] ik ijs met chocolade krijgen, zonder vruchten?6 We weten het nog niet. We [?] even kijken.7 Ik heb een idee. [?] we in het weekend samen eten?8 We [?] graag bij het raam zitten. [?] dat?9 Ik [?] nu gaan, mijn bus gaat over twee minuten.10 [?] we de rekening? Controleer opdracht oké