Volgende Vorige Hoofdstuk 7 7.1 Dialoog 7.2 Woordenlijst 7.3 Kleuren 7.6 Comparatief en superlatief 7.7 Demonstratief pronomen 7.8 Objectvorm van het personaal pronoom 7.9 Uitspraak: eindklank -e Verdieping Downloaden Opdracht 1: Vocabulaire Opdracht 2: Vocabulaire Vul het juiste woord in. Klik als je alles hebt ingevuld op Controleer opdracht.Klik op '[?]' als je het antwoord niet weet. Deze knop toont het goede antwoord.Kies uit:verschillend – licht – soms – allerlei – allebei – eventueel – normaal – zo – ergens – laagJe mag elk woord één keer gebruiken. 1 We hebben studenten uit [?] plaatsen: Berlijn, Freiburg, Hamburg.2 Kan ik hier [?] knoflook kopen?3 Mijn vriendin draagt het liefst een spijkerbroek, maar [?] draagt ze een rok of een jurk.4 In welke zaak koop jij [?] je kleding?5 Jullie zijn heel . Jullie zijn heel anders.6 Wij wonen [?] in Enschede.7 U kunt het toetje [?] later bestellen.8 Kan ik de broek [?] passen?9 De prijzen in deze winkel zijn altijd [?]. Het is hier goedkoop.10 Hebt u ook [?]blauwe overhemden? Controleer opdracht oké