Volgende Vorige Hoofdstuk 7 7.1 Dialoog 7.2 Woordenlijst 7.3 Kleuren 7.6 Comparatief en superlatief 7.7 Demonstratief pronomen 7.8 Objectvorm van het personaal pronoom 7.9 Uitspraak: eindklank -e Verdieping Opdracht 1: Comparatief en superlatief 1 Opdracht 2: Comparatief en superlatief 2 Vul de juiste vorm in: de basisvorm, de comparatief of de superlatief. De basisvorm is gegeven. Klik als je alles hebt ingevuld op Controleer opdracht. Klik op '[?]' als je het antwoord niet weet. Deze knop toont het goede antwoord.1 kortDe les van maandag is [?] dan normaal.2 goedkoopBoeken zijn niet zo [?] in Nederland.3 lekkerIk vind biefstuk niet [?]. Mag ik spaghetti?4 mooiWat vind jij de [?] stad van Nederland?5 veelIk betaal! Ik heb [?] geld dan jij!6 kortTina woont hier het [?] van ons. Pas sinds gisteren!7 graagIk eet [?] thuis dan in de kantine.8 moeilijkJasper vindt Nederlands [?] dan Frans.9 veelDe [?] studenten hier spreken ook Engels.10 veelHij eet net zo [?] als zijn vriendin. Controleer opdracht oké