Volgende Vorige Hoofdstuk 7 7.1 Dialoog 7.2 Woordenlijst 7.3 Kleuren 7.6 Comparatief en superlatief 7.7 Demonstratief pronomen 7.8 Objectvorm van het personaal pronoom 7.9 Uitspraak: eindklank -e Verdieping Opdracht: Grammatica: personaal pronomen Vul het juiste personaal pronomen in. Klik als je alles hebt ingevuld op Controleer opdracht. Klik op '[?]' als je het antwoord niet weet. Deze knop toont het goede antwoord.1 Ik vind de soep niet zo lekker. Ik vind [?] te vet.2 Hoe gaat het met je vrouw? Doe [?] de groeten.3 Goedendag meneer, kan ik [?] helpen?4 Koop jij aardbeien in de winter? Ik vind [?] dan te duur.5 ‘Hoe ken je Paul?’ ‘Ik ken [?] van mijn werk.’6 Hé Jasper, mag ik [?] iets vragen? 7 Kun je [?] helpen met mijn huiswerk?8 Christine woont nu ook in Leiden. Ik zie [?] vaak.9 Dit T-shirt zit niet goed. Ik vind [?] te wijd.10 Gaan jullie ook mee iets drinken? Dan zien we [?] in café De Dromer.11 Leuk idee, jullie zien [?] om ongeveer 17.00 uur.12 ‘Ken je Samer en Zara?’ ‘Ja, ik ken [?] van de cursus Nederlands.’ Controleer opdracht oké