Taaltalent 3

Hoofdstuk 1

Meervoud

Gatenoefening

Geef het meervoud van het woord tussen haakjes.
1. Ik heb drie en een oom. (tante)
2. Hij is met zijn op vakantie gegaan. (neef)
3. Zij heeft nog één opa en twee . (oma)
4. In deze groep zitten acht vrouwen en zes . (man)
5. De in dit dorp zijn voor kleine gezinnen. (huis)
6. De van de kinderen voetballen iedere dag samen. (vader)
7. Hoeveel blijven jullie daar? (week)
8. Hij speelt graag met zijn . (zus)
9. Deze hebben geen ouders. (meisje)
10. Ze hebben twee honden en drie . (kat)