-
- Ben je met de trein gegaan?
- Nee, ik heb ... gemist en heb toen de auto genomen.
-
hij
-
hem
-
ze
-
- Wil je met mij naar Amsterdam gaan?
- Natuurlijk wil ik met ... naar Amsterdam gaan!
-
jij
-
jou
-
jouw
-
Ik ga met een paar vrienden, maar je mag met ... meegaan.
-
ons
-
onze
-
wij
-
Je kunt je ov-chipkaart op het station kopen. Je kunt ... dan direct gebruiken.
-
hij
-
hun
-
hem
-
- Vertrekt de tram bij het station?
- Ja, maar je kunt ... ook vanaf de markt nemen.
-
hem
-
hij
-
ze
-
- Je kunt bij die mevrouw informatie krijgen.
- Dat weet ik. Ik heb al met ... gepraat.
-
ze
-
hem
-
haar
-
- Ik rijd met Peter mee.
- O, mag ik ook met ... meerijden?
-
hij
-
zijn
-
hem
-
Je kunt je ticket bij die dames kopen. Je moet ... dan eerst je paspoort laten zien.
-
zij
-
ze
-
haar