Taaltalent 3

Hoofdstuk 6

Woordenschat - Gatenoefening

Typ het goede woord in de zin. Soms moet je de vorm van het woord veranderen. Klik op 'controleer' als je klaar bent.
Kies uit: arriveren - bestemming - signaal - raadplegen - overstappen - bruikbaar - aankondigen - zaken - tijdig - passagier

1. Als je met de trein naar Rotterdam gaat, kun je het beste in Utrecht .
2. Wanneer een trein niet op tijd kan vertrekken, dan iemand van de spoorwegen dit via de intercom.
3. De trein vertrekt op het van de conducteur. Die blaast dan op zijn fluitje.
4. Als er een ongeluk op het spoor is en je trein vertrekt niet, dan kun je een medewerker van de NS . Deze vertelt jou hoe je het beste kunt reizen.
5. In het buitenland is je ov-chipkaart niet . Daar moet je een papieren kaartje kopen.
6. De medewerkers van de NS geven de soms geen informatie als de trein lang stilstaat. Dat is voor de reizigers heel vervelend.
7. Ik moet volgende week voor naar Madrid. Daarna heb ik een week vakantie.
8. Uit Utrecht vertrekken er treinen naar diverse in Nederland en in het buitenland.
9. Je kunt in Utrecht ’s avonds de slaaptrein naar Zwitserland nemen. Je de volgende dag dan uitgerust in Zürich.
10. Je moet een treinkaartje naar Parijs kopen. Ze zijn namelijk snel uitverkocht.