Taaltalent 3

Hoofdstuk 9

Spelling - Gatenoefening

Zet het werkwoord tussen haakjes in de juiste vorm van de tegenwoordige tijd.
Voorbeeld:
Ik ... het weekend naar Amsterdam. (gaan)
Ik ga het weekend naar Amsterdam.

1. De gids al onze vragen. (beantwoorden)
2. Ik graag een grachtentocht. (maken)
3. Hij naar de top van de toren. (klimmen)
4. jij dit jaar de reis naar Londen? (organiseren)
5. Mijn vriendin iedere dag in het park. (lunchen)
6. Mijn zus van het mooie uitzicht. (genieten)
7. Zijn broer ober in dit restaurant. (worden)
8. Dit bedrijf meer dan duizend liter bier per dag. (produceren)
9. De groep diverse musea. (bezichtigen)
10. Ons hotel aan zee. (liggen)