Zichtbaar Nederlands

3 Het pronomen

3.7 Het relatief pronomen

Een relatief pronomen met een persoon

zonder prepositie
(spreken)
zonder prepositie
(spreken)
met prepositie
(spreken met)
met prepositie
(spreken met)
Stap 1: een verbum met prepositie: spreken met
Stap 1: een verbum zonder prepositie: spreken
Stap 2: bij personen: prepositie + dieprepositie + wie .
Stap 2: "Collega" is een de-woord, dus het pronomen is die.
Dat is alles.
  • Suzanne is de collega
  • met
  • die
  • wie
  • ik vaak
  • spreek
  • spreek
  • .
ja
zonder prepositie
(haten)
zonder prepositie
(haten)
met prepositie
(houden van)
met prepositie
(houden van)
Stap 1: een verbum met prepositie: houden van
Stap 1: een verbum zonder prepositie: haten
Stap 2: bij personen: prepositie + datprepositie + wie .
Stap 2: "Meisje" is een het-woord, dus het pronomen is dat.
Dat is alles.
  • Estelle is het meisje
  • van
  • dat
  • wie
  • ze
  • haat
  • houdt
  • .
ja

Een relatief pronomen met een niet-persoon

zonder prepositie
(zien)
zonder prepositie
(zien)
met prepositie
(kijken naar)
met prepositie
(kijken naar)
Stap 1: een verbum met prepositie: kijken naar
Stap 1: een verbum zonder prepositie: zien
Stap 2: prepositie + datwaarprepositie.
Stap 2: "Boek" is een het-woord, dus het pronomen is dat.
Deze zin is correct. Maar er is nog een tweede optie.
Stap 4: verander de plaats van de prepositie.
Dit is de tweede (meest natuurlijke) optie.
  • het boek
  • naar
  • dat
  • waar
  • ik
  • zie
  • kijk
  • .
zonder prepositie
(goed vinden)
zonder prepositie
(goed vinden)
met prepositie
(dromen over)
met prepositie
(dromen over)
Stap 1: een verbum met prepositie: dromen over
Stap 1: een verbum zonder prepositie: vinden
Stap 2: prepositie + diewaarprepositie.
Stap 2: "Film" is een de-woord, dus het pronomen is die.
Deze zin is correct. Maar er is nog een tweede optie.
Stap 4: verander de plaats van de prepositie.
Dit is de tweede (meest natuurlijke) optie.
  • Hij had een horrorfilm gezien
  • over
  • die
  • waar
  • hij
  • heel goed vond
  • droomde
  • .

Een zin met een prepositie die verandert

zonder prepositie
(kopen)
zonder prepositie
(kopen)
met prepositie
(werken met)
met prepositie
(werken met)
Stap 1: een verbum met prepositie: werken met
Stap 1: een verbum zonder prepositie: kopen
Stap 2: prepositie + diewaarprepositie.
Stap 2: "Laptop" is een de-woord, dus het pronomen is die.
Speciale vorm: + waar + metwaarmee
Deze zin is correct. Maar er is nog een tweede optie.
Stap 4: verander de plaats van de prepositie.
Dit is de tweede (meest natuurlijke) optie.
  • Dit is de laptop
  • met
  • die
  • waar
  • ik
  • gekocht heb
  • werk
  • .
mee
zonder prepositie
(fotograferen)
zonder prepositie
(fotograferen)
met prepositie
(gaan naar)
met prepositie
(gaan naar)
Stap 1: een verbum met prepositie: gaan naar
Stap 1: een verbum zonder prepositie: fotograferen
Stap 2: prepositie + diewaarprepositie.
Stap 2: "Gebouw" is een het-woord, dus het pronomen is dat.
Speciale vorm: + waar + naarwaarnaartoe of waarheen
Bij naartoe, heen en vandaan is optie 1 niet mooi, dus verplaats de prepositie.
Stap 4: verander de plaats van de prepositie.
Dit is de tweede (meest natuurlijke) optie.
  • Dat is het gebouw
  • naar
  • dat
  • waar
  • ik
  • gefotografeerd heb
  • ga
  • .
naartoe