-
zijn
-
was / wasen
-
was / waren
-
hebben
-
had / hadden
-
hadde / hadden
-
houden
-
held / helden
-
hield / hielden
-
liggen
-
lag / lagen
-
leg / legen
-
hangen
-
hing / hingen
-
hong / hongen
-
kopen
-
kiep / kiepen
-
kocht / kochten
-
gaan
-
gang / gangen
-
ging / gingen
-
staan
-
stond / stonden
-
stood / stooden